img112.jpg
actueel
over EVA
waarom veggie?
publicaties
nutritionele info
culinair
lifestyle
interactief
(multi)media
doe mee!
EVA voor...
links
français


Vleesconsumptie en klimaatverandering PDF Print
share
(4.67 / 3)

Sinds enkele jaren krijgt de link tussen veeteelt en klimaat steeds meer aandacht, zowel in de wetenschappelijke literatuur als in de pers. Dit artikel vat de belangrijkste wetenschappelijke gegevens hierover samen.

De meest omvangrijke wetenschappelijke studie naar de impact van veeteelt op het klimaat, en bij uitbreiding op het gehele leefmilieu, is het rapport Livestock’s Long Shadow, van de VN-landbouworganisatie FAO uit 2006 . Belangrijkste conclusie van het rapport is dat veeteelt een groter aandeel van de broeikasgasuitstoot (18%) vertegenwoordigt dan het wegtransport: veeteelt is dus één van de belangrijkste verantwoordelijken voor de opwarming van de aarde.

Daarnaast bevatten ook Environmental Impacts of Food Production and Consumption, een studie in opdracht van het Engelse ministerie van Leefmilieu, en het Groene Kookboek, een onderzoeksrapport van de Rijksuniversiteit van Groningen, precieze informatie over de impact van individuele voedingsproducten op het leefmilieu. Uit beide onderzoeken blijkt duidelijk dat dierlijke producten een veel grotere milieu-impact hebben dan plantaardige.

1. Vlees: een inefficiënte omweg…

Om de gigantische impact op het klimaat te begrijpen, is het belangrijk om in te zien dat vlees voor de voedselproductie een “inefficiënte omweg” is. Voor de productie van voedsel moet immers steeds een bepaalde hoeveelheid energie, land en water worden voorzien. We noemen dat het “beslag” dat de voedselproductie legt op de beschikbare reserves. Bij de productie van vlees wordt echter een omweg gevolgd: in plaats van rechtstreeks voedsel voor de mens te produceren, wordt er eerst veevoeder voor het dier geproduceerd, waarna (een deel van) het dier wordt opgegeten. Hierbij gaat een belangrijk deel van de erin geïnvesteerde energie, grond en water verloren. Niet al het voedsel dat een dier te eten krijgt, wordt immers door het dier omgezet in lichaamsgewicht. Het dier heeft zelf ook energie nodig om te overleven: deze energie wordt bijvoorbeeld verbruikt door de spieren of verdwijnt als lichaamswarmte. Daarnaast is maar een deel van het geslachte dier ook daadwerkelijk voor menselijke consumptie geschikt: de rest zijn botten, ingewanden en andere als afval beschouwde delen. Ook hier gaat dus heel wat energie aan verloren.

Als gevolg van deze inefficiënte omzetting is er voor een bepaalde voedingswaarde aan vlees vele keren meer energie, land en water nodig dan voor een zelfde voedingswaarde aan plantaardige producten.

… met aanzienlijke gevolgen

1.1 Vlees en energie

Voor de productie van voedsel is heel wat energie nodig, bijvoorbeeld voor de verwarming van serres, voor de aanmaak van kunstmeststoffen en voor transport. Het Centrum voor Energie en Milieukunde van de Rijksuniversiteit Groningen maakt in haar Groen Kookboek een uitgebreide analyse van deze energetische impact van verschillende voedingsproducten.

Uit deze studie blijkt algemeen dat voor dierlijke voedselbronnen minstens een factor 10 meer energie nodig is dan voor plantaardige producten. Bovendien geldt deze vaststelling niet alleen voor groenten met een relatief beperkte voedingswaarde (wortels, tomaten, sla), maar ook voor groenten die zeer rijk zijn aan ijzer, eiwitten en/of koolhydraten, zoals linzen en sojabonen). Dit maakt duidelijk dat het heel goed mogelijk is om vlees door groenten te vervangen, zonder daarbij een tekort aan voedingsstoffen te riskeren. Voor een aantal dierlijke en plantaardige producten wordt een schatting van de energetische impact gegeven in Tabel 1.

voedsel

(indirecte) energie in MJ/kilogram

eiwit (in gram per 100 gram)

ijzer (in mg per 100 gram)

kabeljauw

79.4

23

0.5

kip

86.0

31

0.7

varkenslapjes

86.4

30

1.3

rundvlees (doorregen?)

110.4

31

2.9

paardenvlees

125.4

22

3.2

varkensvlees (entrecôte)

189.5

26

2.6

 

 

 

 

eieren

24.3

13

1.9

halfvolle melk

8

4

0

 

 

 

 

aardappelen

1.8

2

0.5

bonen en linzen

7.4

20

5

sojabonen

7.6

37

3.4

wortels

7.6

1

0.4

spinazie

7.6

2

1.2

Tabel 1: schatting van de energie nodig voor voedsel

In het rapport zijn trouwens ook een aantal voorstellen opgenomen voor hoe een “Groen Kookboek” er zou kunnen uitzien. Daarvoor wordt van een aantal gerechten met een vergelijkbare voedingswaarde de energie-impact berekend. Eén voorbeeld: voor een schouderkarbonade is ongeveer 10 MJ per persoon vereist. Voor een even voedzame  linzenschotel is dat amper de helft (5 MJ).

 

1.2 Vlees en land – en waterverbruik

De ‘inefficiënte omzetting’ gaat ook op wat betreft het land- en waterverbruik: voor vleesproductie is - voor een vergelijkbare voedingswaarde - véél meer land en water nodig dan voor de productie van gewassen rechtstreeks voor menselijke consumptie.

Uit de wetenschappelijke literatuur  kan Tabel 2 worden afgeleid:

voedsel

land (in m²/jaar) nodig

voor 1 kg voedsel

water (in liter) nodig

voor 10 gram eiwit

water (in liter) nodig

voor 500 calorieën

kip

303

1.515

7,3

varkensvlees

476

1.225

8,9

rundvlees

1.000

4.902

20,9

 

 

 

 

eieren

244

963

3,5

melk

250

758

0,9-1,2

 

 

 

 

aardappelen

67

89

0.2

noten

90

210

-

maïs

130

130

-

tarwe

135

219

-

rijst

204

251

-

 Tabel 2: land- en watergebruik voor verschillende soorten voedsel

Opnieuw blijkt dat plantaardige producten vele keren minder land en water nodig hebben dan hun dierlijke tegenhangers. Ook wanneer we kijken naar de milieu-impact per eenheid voedingswaarde scoren de plantaardige producten veel beter: voor de productie van een bepaalde hoeveelheid eiwit is veel meer water nodig indien de omweg langs de veeteelt wordt gemaakt.

Deze boodschap werd onlangs trouwens nogmaals bevestigd in het Environmental Impacts of Food Production and Consumption, een onderzoek in opdracht van het Engelse ministerie van Leefmilieu. Uit een gedegen literatuurstudie besluit dit rapport immers dat “This supports the idea that vegetable protein sources have lower environmental impacts than animal protein sources when assessed on the basis of a similar amount of protein consumed.”

Door deze inefficiëntie legt de veeteelt een enorm beslag op de beschikbare landbouwgrond. Het FAO becijfert dat op dit moment al drie kwart (75%) van de in gebruik zijnde landbouwgrond gebruikt wordt voor de productie van vlees! Een deel van die landbouwgrond gaat bovendien door het intensieve gebruik onherroepelijk verloren: de FAO schat dat twintig procent van de weilanden al gedegradeerd zijn door overbegrazing. Zelfs als men enkel kijkt naar het beschikbare akkerland, geschikt voor de productie van voedselgewassen voor menselijke consumptie, dan blijkt dat een derde van al het akkerland gereserveerd wordt voor de productie van veevoeder.

Elk jaar wordt er bovendien méér vlees geproduceerd: in een eindige wereld ontstaat er daardoor onvermijdelijk een enorme druk op nog niet ontgonnen grond, in het bijzonder op bosgebieden. Het FAO identificeert een aantal gebieden waarbij de honger van de vleesindustrie naar meer grond tot grootschalige ontbossing heeft geleid. De Latijns-Amerikaanse regenwouden zijn hiervan wellicht het bekendste slachtoffer.

Voor water ziet het plaatje er vergelijkbaar uit. Veeteelt legt beslag op ongeveer een tiende van het globale waterverbruik, voornamelijk voor de irrigatie van de voedergewassen. Daarbij komt het feit dat de grote productie van mest, waardoor grote hoeveelheden stikstof en fosfor in de waterreservoirs terecht komen, de beschikbare hoeveelheid drinkbaar water fors vermindert.

De ernst hiervan wordt duidelijk wanneer men overweegt dat volgens de VN binnen twintig jaar de waterbevoorrading voor bijna twee derde van de wereldbevolking (64%) “problematisch” zal worden.

1.3 Vlees en sociale rechtvaardigheid

Om de toenemende vraag naar vlees, voornamelijk vanuit het Noorden, te kunnen volgen, worden volledige landbouweconomieën in het Zuiden op de productie van veevoeder afgestemd. Het FAO beschrijft hoe dit lokale gemeenschappen helemaal kan ontwrichten. In eigen land getuigt Wervel vzw al geruime tijd van de nefaste invloed van de wereldwijde vleesindustrie op de voedselvoorziening in het Zuiden (bv. delen van de Brazilië waarin de landbouw zich volledig toelegt op de productie van soja voor het Westerse vee).

In tegenstelling tot wat soms wordt gesteld, zijn veel van de aan dieren gevoederde gewassen trouwens perfect geschikt voor menselijke consumptie. De tijd dat kippen en varkens uitsluitend leefden van afvalproducten van andere landbouwactiviteiten is voorbij. Ook runderen halen hun voedsel niet meer uitsluitend uit het afgrazen van grasland. Integendeel: ons vee krijgt steeds meer energetisch zeer hoogwaardige voeders. Dit heeft alles te maken met de intensivering van de landbouw: de dieren moeten op een zo kort mogelijke tijd slachtrijp worden gemaakt, en dat is enkel mogelijk indien ze vetgemest worden met calorierijke en voor mensen geschikte gewassen, in het bijzonder maïs, soja en tarwe. Volgens de FAO is het Belgische kippendieet bijvoorbeeld voor drie vierde (75%) opgebouwd uit deze drie perfect voor menselijke consumptie geschikte gewassen. Meer dan negentig procent van de ingevoerde soja, een bijzonder voedzaam gewas, verdwijnt in veevoeder.

Over deze soja bestaat er trouwens nog een ander misverstand. Wat aan dieren gevoederd wordt, wordt doorgaans aangeduid als ‘sojaschroot’ (of ‘sojameel’). Deze schroot was oorspronkelijk een bijproduct van de fabricatie van sojaolie. Sommigen beschouwen het gebruik van soja in veevoeder dan ook als een nuttige ‘recyclage’ van afvalproducten. De FAO toont echter aan dat door de fel toegenomen vraag naar dit sojaschroot de rollen nu volledig omgedraaid zijn: het schroot is tegenwoordig goed voor 2/3 van de waarde van een sojaboon, terwijl de olie nog slechts 1/3 van de waarde uitmaakt. De olie is dus eigenlijk een bijproduct geworden van het schroot. De explosieve expansie van de sojaproductie (verdrievoudiging op 20 jaar tijd), waarvoor veel bosland werd omgevormd in landbouwgrond, kan dan ook bijna volledig op het conto worden geschreven van de vleesindustrie.


2. Vlees en klimaat

Het meest opvallende aan het FAO-rapport was echter dat er voor het eerst een volledige balans van de uitstoot van broeikassen door veeteelt in te vinden was. De conclusie was onthutsend: veeteelt draagt minstens evenveel bij aan het broeikaseffect als het wegtransport – een factor die algemeen als zeer dominant wordt beschouwd.


2.1. Het broeikaseffect

Het broeikaseffect is voor weinig mensen nog een onbekende. Het principe is vrij eenvoudig: bepaalde gassen in onze atmosfeer zorgen ervoor dat de warmte van de zon langer gevangen gehouden wordt. Vanaf de industriële revolutie is de mens aan een steeds hoger tempo deze broeikasgassen beginnen uitstoten. Hierdoor stijgt de globale temperatuur op aarde. Volgens het IPCC  zou de toename tijdens de komende eeuw tussen de 2 en de 6°C bedragen.

De drie belangrijkste broeikasgassen zijn CO2 (koolstofdioxide), CH4 (methaan) en N2O (lachgas). Van die drie is CO2 de bekendste. Het komt voornamelijk vrij bij de verbranding van fossiele brandstoffen. Het wegverkeer en de energieproductie (elektriciteit, verwarming,….) zijn belangrijke bronnen van CO2.

De andere twee broeikasgassen zijn in kleinere hoeveelheden in de atmosfeer terug te vinden. Nochtans hebben ook zij een belangrijke impact op het broeikaseffect. Om dat in te zien, moet men begrijpen dat niet elk broeikasgas even goed warmte bijhoudt: sommige gassen hebben per eenheid een grotere impact dan andere. Hoe goed een bepaald gas warmte kan bijhouden, wordt door wetenschappers het “broeikaspotentieel” of Global Warming Potential (GWP) van het gas genoemd.

Het GWP van CO2 wordt gelijkgesteld aan 1. Methaan heeft een GWP van 23: één molecule methaan is dus even schadelijk als 23 moleculen CO2. De GWP van lachgas is nog vele malen groter (296). Het mag dus duidelijk zijn dat, hoewel de uitstoot van methaan en lachgas kleiner is dan deze is van CO2, deze twee gassen wegens hun hogere effectiviteit toch een belangrijke impact zullen hebben op het broeikaseffect.

Omdat het te ingewikkeld zou worden om steeds met de uitstoot van alle broeikasgassen afzonderlijk te moeten rekening houden, wordt de uitstoot van elk gas steeds omgerekend naar één gemeenschappelijke eenheid. Deze eenheid noemt men het aantal CO2-equivalenten (CO2-eq). Hierbij houdt men uiteraard rekening met het GWP van elk gas: 1 molecule CO2 komt overeen met 1 COO2-eq, maar 1 molecule methaan is gelijk aan 23 CO2-eq.


2.2. Impact van vleesconsumptie op het broeikaseffect

a. Inefficiëntie

Zoals we hoger zagen is de vleesproductie een “inefficiënte omweg” in vergelijking met de productie van graangewassen rechtstreeks voor menselijke consumptie. Om aan deze permanente honger naar nieuwe landbouwgrond te voldoen, moeten dan ook steeds meer bossen gekapt worden.

Wat heeft deze honger naar landbouwgrond nu te maken met de concentratie CO2 in de atmosfeer? Om dat te begrijpen, moet men kijken naar de impact van veranderingen in landgebruik op de koolstofcyclus, de uitwisseling van koolstof tussen atmosfeer en vegetatie.

Om te kunnen groeien, halen bomen CO2 uit de lucht. De zuurstofatomen worden weer aan de atmosfeer afgegeven, terwijl de koolstof door de boom wordt opgeslagen. Hierdoor fungeren bossen als een afzetpunt (‘sink’) voor broeikasgassen. Wanneer deze bossen echter worden gekapt of platgebrand, zal deze C02 echter weer in de atmosfeer vrijkomen. De gekapte bomen vormen nu plots een bron (‘source’) van broeikasgassen. In het jargon zegt men dat de “flux” van CO2 is omgedraaid. Daarom haalt men bij de bepaling van de broeikasgasuitstoot van een bepaalde productiesector ook altijd rekening met de er aan gerelateerde veranderingen in landgebruik (‘land use changes’).

De broeikasgasuitstoot die samenhangt met deze veranderingen in landgebruik, wordt door de FAO op ongeveer 2,4 miljard ton CO2-equivalenten per jaar geschat.


b. Vertering herkauwers

Herkauwers (runderen, schapen, ….) kunnen bepaalde gewassen die voor de mens onverteerbaar zijn toch benutten. Ze hebben dit te danken aan een specifiek spijsverteringsproces, waarbij bacteriën in een voormaag de vezelstructuur afbreken. Bij die fermentatie komt echter een aanzienlijke hoeveelheid methaan vrij. Zoals we zagen is dit een erg krachtig broeikasgas.

De FAO schat dat op deze manier jaarlijks 86 miljoen ton methaan vrijkomt. Hiermee is de spijsvertering van ons vee verantwoordelijk voor ongeveer een derde van de totale methaanuitstoot. Omgerekend naar CO2-equivalenten komt dit overeen met 2 miljard ton CO2-equivalenten.


c. Mest

Eén van de bekende problemen van de veeteelt, ook in ons land, is de overproductie van mest. (idem, zie boven) Door overbemesting stijgt de hoeveelheid voedingsstoffen in water en bodem (eutrofiëring, van het Grieks voor “goed doorvoed zijn”). Sommige soorten zijn beter in staat dan andere om deze voedingsstoffen op te nemen: algen en eendenkroos zijn typische voorbeelden van zulke ‘voedselrijke’ soorten. Het probleem is nu dat de andere, ‘voedselarme’ soorten door de snelle toename van de voedselrijke soorten volledig overwoekerd worden.. Hierdoor daalt de diversiteit en dus ook de veerkracht van een ecosysteem. Vooral kwetsbare ecosystemen als bossen, heiden en vennen hebben hieronder te lijden. Daarnaast daalt het zuurstofgehalte in het water drastisch, wat leidt tot vissterfte. De vervuiling van het grondwater bemoeilijkt ook de productie van kwalitatief drinkwater. In 2005 werd bijvoorbeeld in de helft van de meetstations van de Vlaamse Milieumaatschappij, de overheidsinstelling die de toestand van ons milieu opvolgt, een overschrijding van de nitraatnorm vastgesteld. De Europese Unie bepaalde dan ook dat heel Vlaanderen “kwetsbaar gebied” is voor mestvervuiling, een triest unicum in Europa!

Daarnaast is de mestproductie echter ook een belangrijke factor in de broeikasgasuitstoot. Het teveel aan mest verstoort immers de stikstofcyclus van het ecosysteem. Dit mechanisme lijkt wat op de hoger geschetste koolstofflux: in een ecosysteem wordt er voortdurend stikstof uitgewisseld tussen de twee grote reservoirs, de bodem en de atmosfeer. Bij deze uitwisseling wijzigt echter de chemische samenstelling van de stikstofmoleculen. Eén van de belangrijke bijproducten van deze uitwisseling is N2O(lachgas). Zoals we zagen, heeft deze stof een zeer hoog broeikaspotentieel (GWP). Door de verstoring van de cyclus zal de hoeveelheid lachgas die hierbij vrijkomt echter fors toenemen.

De FAO schat dat het gaat om ongeveer 2,2 miljard ton CO2-equivalenten. Hiermee is de mest verantwoordelijk voor twee derde van de wereldwijde lachgasuitstoot.


d. Secundaire bronnen

Naast de al genoemde bronnen van broeikasgas, zijn er ook nog enkele kleinere aan de veeteelt gerelateerde bronnen. Zo zorgt ook de aanmaak en het gebruik van kunstmest voor de teelt van voedergewassen voor een extra CO2- en N2O-uitstoot. Natuurlijke mest is dan weer een bron van methaan. De impact van deze bronnen is echter kleiner dan die van de hoger genoemde.


Samengevat

Wanneer we alle deze elementen bij elkaar optellen, komt de totale aan veeteelt gerelateerde uitstoot op 7,1 miljard ton CO2-equivalenten per jaar. Dit is gelijk aan 18% van de totale uitstoot aan broeikasgassen over de hele wereld.

De belangrijkste resultaten staan nog eens samengevat in Tabel 3.

 

veeteelt

totaal

(alle sectoren)

aandeel van

veeteelt in totaal

CO2

2,7

31

9%

waarvan ontbossing

2,4

CH4

2,2

5,9

37%

waarvan spijsvertering

herkauwers

1,8

N2O

2,2

3,4

64%

waarvan mest

1,8

totaal

7,1

40

18%

Tabel 3: aandeel veeteelt in broeikasgasuitstoot (in miljard ton CO2-equivalenten per jaar)


3. Besluit: grootschalige vleesconsumptie en een gezond leefmilieu zijn onverzoenbaar

De conclusie van de FAO is duidelijk: “vleesconsumptie staat in de top-3 van belangrijkste redenen voor elk belangrijk milieuprobleem”. Het laatste rapport bevestigt inderdaad dat veeteelt niet alleen een vernietigende impact heeft op landdegradatie, op drinkwatervoorziening en op zure regen, maar dat ze dus ook een zeer belangrijke verantwoordelijkheid draagt voor de opwarming van de aarde.

Tegelijkertijd werd er in ons land nog nooit zoveel vlees geconsumeerd. Het is niet moeilijk in te zien dat deze tegenstrijdige situatie op termijn onhoudbaar zal zijn. In haar Federaal Rapport inzake Duurzame Ontwikkeling gaf het Federaal Planbureau begin 2008 dan ook nog een niet mis te verstaan advies: “om de doelstellingen van duurzame ontwikkelingen te bereiken, moet de consumptie van vlees en dierlijke producten gevoelig dalen”.

Ook Rachendra Pachauri, het hoofd van het VN-klimaatpanel en in 2007 samen met Al Gore nog Nobelprijswinnaar voor de Vrede, sprak zich ondertussen duidelijk uit over de noodzaak van een vleesmatiging: “Please, eat less meat!” Er bestaat immers maar één oplossing om de impact van vleesconsumptie te beperken, en dat is: minder vlees eten. Een grootschalige én duurzame vleesconsumptie bestaat eenvoudigweg niet. Per definitie is het onmogelijk dat zeer veel mensen op zeer grote schaal een zeer inefficiënt product consumeren, zonder op de grenzen van onze planeet te stoten. Dat is dan ook precies wat er momenteel gebeurt: de wereldwijde vleesconsumptie heeft zijn limieten duidelijk overschreden.

 


Meer info en bibliografie

Livestock’s Long Shadow, H. Steinfeld e.a, FAO, 2006. ftp://ftp.fao.org/docrep/fao/010/a0701e/a0701e00.pdf

Groen Kookboek. Milieubewust koken met een laag energie- en landgebruik, P.W. Gerbens-Leenes, IVEM-Onderzoeksrapport nr. 103a, Groningen, mei 2000
http://www.rug.nl/ees/onderzoek/IVEM/Publicaties/Onderzoeknl/GroenKookboek.pdf?as=pdf.

Vierde Federaal Rapport inzake Duurzame Ontwikkeling: de transitie naar een duurzame ontwikkeling versnellen. Federaal Planbureau, 2007,  http://www.plan.be/press/press_det.php?lang=nl&TM=41&IS=67&KeyPub=625

Environmental Impacts of Food Production. A research report completed for the Department for Environment, Food and Rural Affairs by Manchester Business School, Foster e.a., 2006. http://www.defra.gov.uk/science/Project_Data/DocumentLibrary/EV02007/EV02007_4601_FRP.pdf.

Mestprobleem:
http://www.bblv.be/theme.php/40

Boeren met toekomst, van stichting milieudefensie NL: http://www.milieudefensie.nl/landbouw/publicaties/rapporten/boeren-met-toekomst-burgerinitiatief-milieudefensie-jma.pdf

Stijgende Vleesconsumptie: het milieu betaalt de prijs, Oivo: http://www.observ.be/v2/nl/pdf/2399nl.pdf

The global benefits of eating less meat, CIWF: http://www.ciwf.org/publications/reports/The_Global_Benefits_of_Eating_Less_Meat.pdf

Why it's green to go vegetarian, VSUK: http://www.vegsoc.org/environment/why%20its%20green%20final%20small.pdf

Geschreven door EVA (verleidelijk veggie) Gemaakt: 28 aug 2008
  Laatst aangepast: 28 aug 2008